Loading...
Begijnhoven: verrassende ontmoetingen2018-08-08T11:56:56+00:00

Begijnhoven: verrassende ontmoetingen

Fanny Wonu Veys

 

Ik heb levendige herinneringen aan op pad gestuurd worden met een potlood en een tekenblokje om de nauwe straatjes met witte huizen van het Sint-Elisabethbegijnhof in Kortrijk in beeld te brengen. Ik moet een jaar of tien geweest zijn en volgde tekenles bij de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten op de Houtmarkt van Kortrijk. We liepen twee aan twee langs de Sint-Maartenskerk via een zijpoortje het begijnhof binnen waarna een wereld van spanning —zou het me lukken om iets op papier te zetten? — en ontdekking openging. De kleine straatjes leken een echt doolhof, maar de gedempte sfeer bracht ook rust. Jaren later mochten we als tieners met onze zelfgebouwde camera oscurafoto’s maken in het begijnhof. Hetzelfde gevoel van thuiskomen en rust overviel mij. Die kalmte was niet zomaar een persoonlijke indruk, maar was er effectief: de overdadige bassen van de Paasfoor die de binnenstad een keer per jaar overnemen, zijn nooit hoorbaar in het begijnhof. De rust was ook aanwezig toen ik klassieke gitaar speelde tijdens een open monumentendag en bij die gelegenheid de zenuwen toch merkbaar minder aanwezig waren dan gebruikelijk. Ik was erg onder de indruk van het pianospel van Marcella Pattyn, het laatste begijntje ter wereld dat helemaal blind nog steeds de toetsen kon vinden.

Op de middelbare school leerden we dat begijnhoven ontstonden tijdens de middeleeuwen en een uniek fenomeen waren van de Lage Landen. Vanaf de 12e eeuw zochten vrouwen die na de dood van hun mannen tijdens de vele oorlogen en het geweld dat de tijd kenmerkte, toeverlaat bij elkaar door gezamenlijk steun van rijke weldoeners aan te vragen. We leerden dat het leven in gemeenschap voor alleenstaande vrouwen er onder andere voor zorgde dat ze konden gaan werken zonder dat er op hen neergekeken werd of dat ze als prostituee aanzien werden. Bovendien moesten de begijnen geen gelofte van armoede afleggen wat wel het geval was in de talrijke kloosterorders die al bestonden. Later aan de universiteit, binnen de vele historische vakken die de opleiding ‘kunstwetenschappen en archeologie’ rijk was, kwamen andere invalshoeken aan bod waaronder ook meer feministische beschouwingen die keken naar wat het betekende voor de vrouwenemancipatie dat middeleeuwse vrouwen met behoud van zelfrespect en dat van de maatschappij, buiten de deur konden werken. Uiteraard werden nog meer historische feiten benadrukt zoals de kruistochten die verklaarden waarom het mannentekort in de Lage Landen misschien nog schrijnender was dan elders. Kortom, begijnhoven werden voorgesteld als heel belangrijke elementen van het cultureel erfgoed van de Lage Landen. 

Deze persoonlijke verhalen zijn niet geschreven vanuit een drang mijn jeugdherinneringen met jullie te delen, maar verwijzen eerder naar vragen die niet aan bod kwamen in mijn kinderjaren of tijdens mijn studie. Deze thema’s staan voor mij nu echter centraal in mijn werk als conservator Oceanië aan het Nationaal Museum van Wereldculturen in Nederland (Amsterdam, Leiden, Berg en Dal en Rotterdam). Wat doet cultureel erfgoed met mensen? Daaruit vloeit dan weer de vraag met welke mensen cultureel erfgoed iets doet? En, op welke manierdoet cultureel erfgoed iets met mensen?

Erfgoed en emoties

Heel vaak wordt bij erfgoed de nadruk gelegd op het correct krijgen van alle feiten zoals data, veldslagen, plaatsen, materialen, stijlen en afmetingen. Hierbij wordt meestal over het hoofd gezien dat er ook emotionele beweegredenen zijn om erfgoed op te zoeken. Zo weet een goede gids mensen toch door al die kennis ook emotioneel te raken, waardoor het genieten van het monument nog intenser wordt. Soms leidt het ook tot een verlangen nog meer kennis te vergaren over de gebouwen of de kunstwerken. Begijnhoven zijn daarin niet anders: kennis voedt de emoties die dan weer het verlangen naar kennis stimuleren. Erfgoed, en begijnhoven in het bijzonder, kunnen dus een belangrijke rol spelen in de persoonlijke en culturele identiteit van de stadsbewoners die op hun beurt nieuwe betekenis en inhoud geven aan het erfgoed. Begijnhoven belichamen lokale kennis en geschiedenis en zijn dus gevormd doorheen hun ontstaansgeschiedenis. We worden echter ook weer gevormd door de mensen die de architectuur, het ontwerp, en de inhoud van de plekken constant nieuw leven inblazen. De betrokkenheid kan verschillende vormen aannemen, variërend van meer passieve ontmoetingen waarbij het begijnhof als achtergrond fungeert voor concerten en theater tot erg actieve betrokkenheid waarbij het begijnhof voor de mensen die er wonen deel uitmaakt van hun leven en omgeving. 

Mijn invalshoek komt vanuit het werken met gemeenschappen uit Oceanië die museumcollecties uit het gebied waar ze opgroeiden, komen zien. Telkens weer valt op hoe het contact met de objecten de betrokken mensen diep raakt en aanzet om meer te doen met dit cultureel erfgoed.

Mensen verbinden

De verbinding die de vrouwen aan de oorsprong van de begijnhoven bij elkaar zochten, werkt tot op vandaag door in het erfgoed. Deze connectie kan zich uiten in ‘samen zijn we sterker’ , maar kan ook een meer subtiele vorm aannemen waarbij mensen zichzelf in een lange lijn van voorouders of zielsgenoten plaatsen die hetzelfde gedaan hebben als zij. En daar kunnen mensen sterkte uit putten om zichzelf in de toekomst te zien. Misschien wordt dit punt het best geïllustreerd met een concreet voorbeeld uit mijn werk. In 2006 kwamen een aantal kunstenaars uit Nieuw-Zeeland naar een 19e-eeuwse muziekinstrumentencollectie kijken in het Museum of Archaeology and Anthropology in Cambridge. Deze bezoekers hadden allemaal een Maori-achtergrond wat betekende dat ze cultureel verwant waren met de oorspronkelijke bewoners van Nieuw-Zeeland en ook met de muziekinstrumenten die ze kwamen bewonderen. Toen ik de instrumenten klaargelegd had voor bezichtiging, bleek dat de bezoekers tot tranen toe geroerd waren toen ze die 19e-eeuwse muziekinstrumenten zagen. In een museumcontext is het aanraken van voorwerpen een groot taboe, laat staan het bespelen van muziekinstrumenten. Het museumteam besefte gelukkig dat het aanschouwen van de instrumenten niet voldoende zou zijn om het verlangen tot een grotere connectie met de voorwerpen te voeden. De instrumenten zouden bespeeld worden! Toen een 19e-eeuwse lange houten trompet omwonden met lianen uiteindelijk weerklonk, was de cirkel rond. Niet alleen hadden deze Maori de objecten die in het depot lagen te slapen, zachtjes gewekt door ze in het daglicht te brengen, ze hadden ze ook letterlijk nieuw leven ingeblazen waardoor de kunstenaars de verbinding met hun voorouders, met het museumpersoneel en met het publiek aangingen. Maar ook verenigden ze hun theoretische en praktische kennis over deze muziekinstrumenten met de emotionele kennis die in de omgang met objecten schuilt. Dit is precies wat contact met erfgoed kan doen: het stelt mensen in staat zichzelf te plaatsen in een lijn van ‘voorouders’ , zich te associëren met het erfgoed, waardoor verbinding met het verleden wordt aangegaan, maar ook de eigen positie in het heden versterkt wordt en vervolgens een toekomst mogelijk wordt. Erfgoed ankert de mensen in zichzelf, hun fysieke en menselijke omgeving, hun verleden, hun heden en projecteert ze in hun toekomst. Misschien voelde ik me als klein meisje in het begijnhof ook instinctief verbonden met een groter geheel?

Herinneringen

Als ontmoetingsplek zijn begijnhoven de ideale contactzones waar historische, geografische en/of sociale verscheidenheid samenvloeien op een spontane, geïmproviseerde manier. Erfgoedplaatsen fungeren vaak bijna als een voorwendsel, een soort katalysator om het te hebben over dingen die mensen bezig houden, om herinneringen op te rakelen. In 2009 was ik als conservator in het Museum Volkenkunde in Leiden verantwoordelijk voor het opvangen van twee Aboriginal ‘elders’ (ouderen) uit de Bundjalung gemeenschap verblijvend rond Richmond River in het oosten van Queensland en New South Wales (Australië). Ze waren helemaal naar Nederland afgereisd om menselijke resten van hun voorouders terug naar hun thuisland te brengen. Mijn specifieke taak bestond erin de ouderen door de collectie afkomstig uit hun streek te leiden. Door de geografische ligging van hun regio, waren Bundjalung mensen een van de eerste die de Europeanen die Australië kwamen bezetten, ontmoetten. Het vrij intensieve contact vanaf de jaren 1820, zorgde er tegen 1880 voor dat heel weinig Bundjalung gemeenschappen nog op hun oorspronkelijke gronden —de talrijke heuvels van het gebied— woonden. In plaats daarvan werkten de meesten als veehoeders of houtkappers. Aangezien de ouderen die onze collectie kwamen bekijken, gekozen waren omwille van hun culturele kennis, had ik het vermoeden dat zij extra informatie zouden kunnen geven over onze collectie. En dat was ook zo maar niet op de manier die ik verwacht had. Ze vertelden over boemerangs die bijvoorbeeld tijdens rouwceremoniën gebruikt werden om zichzelf verwondingen toe te brengen en zo de diepe rouw te laten blijken. En hoewel de ouderen erg blij waren toegang te krijgen tot de collectie, bleken de objecten zelf bijna een bijkomstigheid. De voorwerpen kwamen links te liggen om plaats te maken voor herinneringen en verhalen. De verhalen waren er van cultureel verlies, maar ook van hoop op een betere toekomst voor hun kinderen en kleinkinderen. Kortom, de objecten waren de aanleiding en waren essentieel om het narratief op te wekken en te structureren tot coherente gehelen.

Omdat begijnhoven, architecturale gehelen zijn met mogelijkheden om ze te betreden, erin rond te dwalen, ze aan te raken en er zich letterlijk door omgeven te weten, zijn ze erg goede monumenten in een stad, de plek bij uitstek waar herinneringen levendig worden. Hoewel ik weet dat de grootjuffrouw, de hoofdbegijn in het begijnhof St. Elisabeth van Kortrijk, in het huis met kenmerkende Vlaamse trapgevel tegenover de kapel verbleef, en ik geleerd heb dat de was te drogen werd gelegd op de bleekweide aan de achterkant van een rij huizen, is zoals blijkt uit de bovenstaande inleiding mijn eerste reflex niet het reciteren van deze historische gegevens. Begijnhoven zijn voor mij geassocieerd met een heleboel herinneringen en ik durf te stellen dat dit ook voor anderen het geval is wanneer ze aan een begijnhof denken of erin rondwandelen. Bijvoorbeeld maakte de kleine anekdote over de was die gebleekt werd op de weide bij mijn oma zoveel verhalen los over vroeger dat ze besloot al die oude gebruiken op papier te zetten. De historische wetenswaardigheden versterken dus alleen maar de herinneringen, wat blijk geeft van het belang van een gevoelsmatige benadering. Herinneringen en feiten gaan hand in hand en kunnen onze toekomst vormen. In het kader van de zorg over duurzaam energieverbruik is de was-anekdote —om maar bij dat kleine feit te blijven— misschien geen slecht idee! Erfgoed opent een wereld aan ‘vergeten’ ervaringen en feiten en kan ons ideeën schenken voor een toekomst. 

Thuis

Thuis zijn, een gevoel ergens te horen, wordt letterlijk belichaamd in begijnhoven waar mensen wonen. Eens een veilige haven voor tijdelijk alleenstaande vrouwen (of mannen), bieden begijnhoven nu onderdak aan mensen met uiteenlopende achtergronden: van alleenstaande vrouwen of studenten tot mensen die in financiële problemen verkeren of het sociaal moeilijk hebben. Echter ook voor wie er niet woont, kan een begijnhof een thuis bieden als een rustpunt om aan de drukte en de prikkels van de stad te ontkomen, of als een soort herbronning wanneer mensen lange tijd weg geweest zijn of even de weg in hun leven kwijtraakten. Dit is ook iets wat alle erfgoed met elkaar gemeen heeft. Zo geven Maori die in Europa wonen aan dat de ceremoniële kano of waka die in Leiden zijn standplaats heeft, een ‘home away from home’ (een thuis ver weg van thuis) is. De waka, gesneden door heel ervaren houtsnijders uit een 600 jaar oude kauriboom, arriveerde in 2010 in Nederland, samen met een aantal Maori die alle culturele gebruiken kennen die horen bij zo’n belangrijk object. Door een samenwerking met Maori uit Nieuw-Zeeland, maar ook Maori die in Europa wonen, Nederlandse studenten en museumpersoneel wordt het culturele belang in stand gehouden. Elke Nieuw-Zeelander op doorreis, Maori of niet, herkent in deze waka met bijhorend huis, een thuis. 

Ook voor mij, iemand die de voorbije 20 jaar grotendeels in het buitenland woont, betekent het Sint-Elisabethbegijnhof met de huisjes die in de schaduw staan van de St. Maartenskerk, de Onze-Lieve-Vrouwekerk en de gravenkapel van de burcht op het domein van de graven van Vlaanderen, een ware thuiskomst. Een gevoel van hier kom ik vandaan, en van hieruit kan ik weer verder op het pad dat mij aangeboden wordt.

Erfgoed dat je raakt

Begijnhoven zijn plekken die bijdragen aan het opbouwen van de culturele identiteit, waar historische kennis kritisch bevraagd en gebruikt kan worden in onze voortdurend-in-beweging-zijnde-wereld, plekken waar feiten emoties losmaken en aansporen om op zoek te gaan naar meer kennis. Begijnhoven zijn zones waar contact, verbinding mogelijk is tussen geschiedenis en actualiteit, tussen voorouders en afstammelingen, tussen verleden, heden en toekomst. Zowel het thuisgevoel als de herinneringen spelen een rol. Kortom, begijnhoven als erfgoed zorgen voor verrassende ontmoetingen tussen ratio en emotie.